Kijken en zien: geen haan die er naar kraait

Uit het weekblad De Serrist van donderdag 16 september 2021

Geen haan die er naar kraait, betekent: niemand zal het weten. Kent u dit spreekwoord? Soms zit onze verslaggever even op een bankje in een parkje, bijvoorbeeld nadat hij boodschappen heeft gedaan. Het is een merkwaardig parkje. Het is bevolkt door een bont volkje. Twee hanen leven er nu tamelijk rustig samen met twee kloekhennen en hun kuikens. Ook al ligt het groene plekje vlak bij een drukke ringlaan, toch waagt dat gevogelte zich zelden of nooit op de rijweg. Het is zo’n kleine oase waar de dieren veilig kunnen leven. Meestal blijven ze onder de struiken of op het gras. Al komen ze ook naar Jean-Pierre Dubois toe. Ze staan dan rond hem, alsof hij een Sint-Franciscus is van wie zij alle heil verwachten. Een prachtig tafereel. Maar u zal er nooit foto’s van zien, omdat onze fotograaf niet altijd op stap gaat met zijn fototoestel. ‘Als je naar dieren kijkt, beleef je altijd wel iets’, merkte een trouwe lezer onlangs op. Je hebt er niet altijd een camera voor nodig. Als onze reporter het niet zou vertellen, zou er dus geen haan naar kraaien. Al zag hij vorige week die witte haan bezig alsof hij een haaienmaag had en dus werkelijk alles kon verorberen. En dat is een verhaal om wel te vertellen.

Soms passeer ik voorbij dit openbaar plantsoen en zit ik er even op een bankje. Het parkje ligt op ongeveer een kilometer van mijn woning. Ik ken het al lang, maar toch bezoek ik het pas sinds vorig jaar. Al vele decennia leven er enkele hanen en kippen in het wild. Vaste bezoekers en omwonenden, verwachten dat ze er altijd zijn en voor wat leven zorgen. Leven in de brouwerij, zoals dat wordt gezegd. Zo is er eentje die altijd opvalt. Meneer de haan, noem ik hem, die witte waaghals met een bloedrode hanenkam en stevige poten. Een kloek beest. Hij volgt me met zijn oogjes. Soms komt hij naar mij toe. Ik heb de indruk dat hij dat doet, omdat hij me herkent en me van dichtbij wil bekijken. Maar dat is slechts een indruk, natuurlijk. Soms maak ik hem dol door zijn kukeluku na te bootsen. Veel moeite moet ik er niet voor doen. Gewoon hardop kukelukuen is al genoeg om zijn antwoord te horen. Enkele oudere voorbijgangers stonden onlangs geamuseerd op de stoep te kijken, toen ze ons bezig hoorden. Een te gekke dialoog, natuurlijk. Maar goed… Soms hoor ik een tweede kukeluku. Meneer de witte haan is immers niet de enige haan in dat leefgebied. Hij deelt zijn territorium met een ander mannetje. Maar dat is slechts een snoeshaan in de ogen van de witte. Een blaaskaak. Maar dan wel in een kleuriger vederpak. Een Engels haantje. Een opgesmukt baasje. Een echte dandy. Dat heertje loopt erbij alsof het elke dag zondag is. Gesierd en versierd als een generaal. En dan zijn er nog die twee kloekhennen. Tja, voor die dametjes moet het niet makkelijk zijn, samenleven met twee stoere kerels die baas boven baas willen zijn. En dan nog de eigen kuikentjes in de gaten houden, want die worden elke dag groter en stouter. De witte haan, meneer de haan, dus, heeft me nu zeker al gezien. Maar vandaag heeft hij er geen zin in. Zou er nog iets op zijn maag liggen? Van die keer dat hij plots voor me stond? Foto: copyright Jean-Pierre Dubois.

Ik weet het nog goed. Het gebeurde dinsdag 7 september rond 16.30 uur. Meneer de haan, de witte haan, komt naar me toe. Ook al voeder ik niet. Hij komt dicht bij mij staan en ik zie dat hij iets wil oppikken. ‘Neen, jongske, blijf daar af, dat is niet om op te eten’, zeg ik tegen hem, tegen beter weten in. Want hij kijkt me wel aan, maar hij blijft pikken. Ik zie wat het is en ik denk dat hij wel zal proeven of voelen dat dat niet eetbaar is. Ik kijk naar zijn stevige poten en sporen, en doe niets. Hij kan zijn mannetje wel staan, denk ik. De haan stoort er zich niet aan. Plots kan hij dat weerbarstig ding overmeesteren en naar binnen spelen. Ik zie nog net, hoe het in zijn snavel verdwijnt. Het is een elastiekje. Die haan, toch! Wat een slokop. Hij overleeft het zeker. Maar goed is het niet. Foto: copyright Jean-Pierre Dubois.

Ik zie dat parkjes en perkjes, vaak vol liggen met zwerfvuil: veel kroonkurken en sigarettenpeuken, maar ook kleinere voorwerpen zoals elastiekjes. Kroonkurken zullen dieren niet proberen op te eten, maar elastiekjes dus wel. Blijft het achter in de maag van die haan? Best mogelijk, want bijvoorbeeld de maag van zeevogels raakt opgevuld met allerlei rommel, zoals kunststof, stukjes touw, visnet, enzovoorts. Na hun dood in vogelopvangcentra, wordt dat vaak vastgesteld. Geen haan die er naar kraait, maar de gevolgen zijn best wel groot en nadelig voor dier en natuur. Foto: copyright Jean-Pierre Dubois.